Nederlandsk

Udtale

Verbum

volgen

  1. at følge

Bøjning

Lang tillægsform volgend
Førnutid zijn gevolgd
Bydemåde volg(t)
ik jij/je, u hij, zij/ze, het wij/we, jullie, zij/ze
Nutid volg volgt volgt volgen
Datid volgde volgde volgde volgden

Kilder

  • volgen“ i vanDale woordenboek