Nederlandsk

Udtale

Verbum

wisselen

  1. (gensidig forandre) at skifte
  2. (økonomi) at veksle

Bøjning

Lang tillægsform wisselend
Førnutid hebben gewisseld
Bydemåde wissel(t)
ik jij/je, u hij, zij/ze, het wij/we, jullie, zij/ze
Nutid wissel wisselt wisselt wisselen
Datid wisselde wisselde wisselde wisselden

Kilder