Nederlandsk

Etymologi

op +‎ bellen

Udtale

Verbum

opbellen

  1. at ringe op

Bøjning

Lang tillægsform opbellend
Førnutid hebben opgebeld
Bydemåde bel(t) op
ik jij/je, u hij, zij/ze, het wij/we, jullie, zij/ze
Nutid bel op belt op belt op bellen op
Datid belde op belde op belde op belden op

Kilder